Ronja dacht aan de trein.
Aan de blauwe stoelen.
Aan de grote ramen.
Aan alle dingen die voorbijgaan.
Misschien, dacht ze,
begon deze vakantie niet met vertrekken,
maar met instappen.
Ronja begon met het maken van een inpaklijst.
Wat heb je nodig als je niet weet waar je terechtkomt?
Ze begon met de basics.
Onderbroeken, zwemkleding, t-shirts en korte broeken.
Een tandenborstel, zonnebrand en slippers.
Ook nog een slaapzak en kussen,
en niet te vergeten, Wies snurkte soms, oordoppen.
Het paste allemaal maar net in haar rode rugzak.
Ronja zwaaide haar ouders gedag
en begon aan de reis.
Op haar racefiets fietste
ze naar het station.
Hier was Wies.
vorige bladzijde
volgende bladzijde
naar het begin